Ademtochten
De eerste keer dat ik haar zag, was in een hoge, voormalige kerkruimte.
Wij waren bezig ons werk op te hangen voor een weekendtentoonstelling die
daar de volgende dag geopend zou worden en waaraan wij beiden deelnamen.
Haar werk bestond uit één heel grote zwarte ets, die in meerdere
lijsten was opgedeeld; die lijsten moesten aaneensluitend worden opgehangen.
Een ingewikkelde klus en een secuur werkje.
Ik had juist besloten voortaan alleen nog makkelijk te exposeren werk op dit
soort kortdurende tentoonstellingen te hangen. Daardoor bekeek ik haar vorderingen
met enige meewarigheid, hoewel zij, gelukkig maar, hulp had van een grappige
jongen die later bleek haar man te zijn.
Ik hing met mijn kleine koperen plaat naast haar Goliathformaat; waarschijnlijk
omdat onze namen met letters beginnen die naast elkaar in het alfabet staan.
Haar ets was bewonderenswaardig: krachtige, expressieve lijnen, gedifferentieerde
structuur, prachtig van zwart-wit verdeling.
Ik zocht naar de naam van het meisje dat hier haar visitekaartje afgaf en besloot
mij die goed in te prenten: Sandra Kruisbrink.
Van dat weekend herinner ik mij verder niets.
Een paar maanden later herkende ik haar naam toen wij ons aan elkaar voorstelden.
De setting was nu een hele andere. Wij hoorden bij de elf kunstenaars die
kandidaat waren voor beschikbaar gekomen ateliers hartje stad. Met elkaar
moesten wij die ruimtes verdelen, afspraken maken, de oplevering en afwerking
doorspreken. Al snel waren wij een vereniging met regelmatige vergaderingen.
Sandra en ik fietsten na afloop van die bijeenkomsten vaak samen naar huis,
want al waren wij geen directe buren, we woonden in dezelfde wijk.
Bijna kwamen we, in de voormalige gaarkeuken die het ateliercomplex is, naast
elkaar terecht, maar nee, het lot besliste anders. Mijn atelier kwam op de
benedenverdieping, dat van Sandra op twee hoog. Ik zou er negen jaar werken,
zij zit daar nog steeds.
In die kleine tien jaar dat ik haar nu ken is haar werk mij vertrouwd geworden,
al herinner ik mij niet wanneer dat is gebeurd, want het ging geleidelijk
en beetje bij beetje: door de documentatiemap waarmee wij ons binnen de vereniging
aan elkaar bekend maakten, door een kaart van zichzelf die zij achterliet
met een boodschap, een tekening bij haar thuis aan de muur, een afbeelding
in een catalogus. En tenslotte natuurlijk door de tentoonstellingen die elkaar
met grote regelmaat opvolgen.
Er was een tentoonstelling in een galerie waar een intrigerend kaartenbakje
stond waarmee Sandra inzage gaf in haar manier van werken. Zij laat zich
inspireren door overal vandaan gehaalde foto’s, zelfgemaakt of ergens
uitgeknipt. Die bergt ze, liet dat kaartenbakje zien, zorgvuldig en overzichtelijk
op, als houvast voor haar geheugen. Als visuele steunpunten voor als zij
aan het werk gaat.
Het meest vertrouwd is mij haar werk als ik het zie in haar atelier. Als
het nog niet af is, of half af, of wel af maar nog niet zeker. Als het werk
ingelijst terug is gekomen van een expositie of klaar staat om te worden
opgehaald of weggebracht. Als het overal waar je kijkt aan de muren hangt,
op kleine werktafels ligt, de grond bezaait.
Na de eerste overrompeling van dat intens gekraste zwart op die grote ets,
is het werk dat er op volgde minder schoksgewijs bij me binnen gekomen. Meer
als een consistente stroom waarin terugkerende figuratieve elementen zijn te
herkennen, waarin zachte, of juist uitgesproken felle kleuren kunnen komen
bovendrijven, waarin haar handschrift de wet stelt.
Mensen heb ik nooit afgebeeld gezien in Sandra’s werk. Er wordt niet
gepraat in haar tekeningen en litho’s. Er heerst afwezigheid van menselijk
geluid, maar doodstil is het er zeker niet. De wind heeft een hoofdrol.
Vaak lijkt haar werk vanaf grote hoogte gezien. Minuscule bomen, palen, huizen
en gebouwen verspreiden zich over het papier, alsof zij naar hun plek zijn
toegewaaid.
Misschien is dit de stilte na de storm die over het land getrokken is? Misschien
is dit wat overblijft van de wereld als de mensen er weg zijn?
Het lijkt in ieder geval niet de wereld te zijn die aan de komst van de mensen
voorafgaat, want te zien zijn juist de sporen die zij achter lieten: paden,
wegen, landingsbanen, hekken, bouwsels, een stilgehangen parachute.
Meestal schijnt de zon, dat dan weer wel. Kleuren lichten op, slagschaduwen
strekken zich uit. In tegenstelling tot de etsen die Sandra maakte toen zij
nog maar pas van de academie was en die zwart, diepzwart en donker waren, zijn
haar tekeningen en litho’s doorgaans licht van kleur, frêle, doorzichtig.
Er zijn grote gebaren te zien: verf opgebracht met een brede kwast. Daarnaast,
daarin, daaroverheen: priegelwerk met een potlood, ragfijne lijntjes, met engelengeduld
getrokken.
Sandra’s werk lijkt wel niet te zijn getekend – het is gegroeid.
Het wordt tijdens dat groeien opgebonden en bijgestuurd, afgebogen of neergelegd,
alles als in organisch proces. Het papier is de tuin, het veld, de vlakte waar
Sandra als enige hovenier werkt. Als een omzichtig tuinman richt zij het land
in dat haar werd toegemeten. En zoals bij alle tuinen: het werk is nooit klaar.
Wat ook het seizoen van het moment is, er moet gewied, geplant, gesnoeid, gezaaid.
Er moet worden afgedekt en omgespit, er moet een stroom worden verlegd of een
huisje gebouwd.
Er zijn geluiden, of echo’s van geluiden, in de wereld die zij schept.
Het zachte krassen van haar potlood en het zachte vegen van haar penseel zijn
overgegaan in het geluid van wind of water. De zaadjes van figuratie zijn uitgesproten.
De kleur heeft over het papier gewoed. Onze blik wakkert de wind aan, waarin
de lijnen wuiven.
De verschillende lagen in het werk van Sandra Kruisbrink lijken luchtstromen,
die door haar zelf worden aangeblazen.
Een tijdlang hebben Sandra en ik een samenwerkingsverband gehad, waarin
wij elkaar foto’s stuurden die uitgangspunt voor onze tekeningen werden.
Maandenlang opende ik eens in de veertien dagen de envelop met haar foto.
Langzaam maar zeker wende ik zo aan haar blik. Leerde ik haar ogen kennen.
Ging ik een beetje kijken als zij.
Laatst nog, tegen de avond, de zon was al onder maar er zat nog wat kleur in
de lucht. Er viel een vlucht vogels door het uitzicht uit mijn raam. Het lijnenspel
van een donkere boom tekende zich af tegen de nog lichte hemel. Ik zag de roze
kleur in de verte en realiseerde me dat ik naar een tekening van Sandra stond
te kijken.
Verder herinner ik mij van die avond niets.
Margaretha Louwers Mei 2003